De Christelijke Bijbel bestaat uit twee gedeelten. Het oude testament is globaal de Schrift, zoals de Joden die kennen. Het nieuwe testament is als het ware een vervolg op het oude. Je zou ook kunnen zeggen, dat het oude testament het fundament legt voor het nieuwe. In het oude testament regeerde de wet; in het nieuwe regeert de genade. Paulus zegt tegen de gelovigen in Colosse: „Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is“ 2:16-17 (NBG1951). Een schaduw is een teken dat er iemand aankomt, waarvan je in de schaduw de contouren ziet; op het moment dat degene die voorheen komende was, werkelijkheid is geworden, is de schaduw voorbij.

Christus is de werkelijkheid

Lukas schrijft aan het begin van zijn evangelie: „ Aangezien velen getracht hebben een verhaal op te stellen over de zaken, die onder ons hun beslag hebben gekregen, gelijk ons hebben overgeleverd degenen, die van het begin aan ooggetuigen en dienaren van het woord geweest zijn, ben ook ik tot het besluit gekomen, na alles van meet aan nauwkeurig te hebben nagegaan, dit in geregelde orde voor u te boek te stellen, hoogedele Teofilus, opdat gij de betrouwbaarheid zoudt erkennen der zaken, waarvan gij onderricht zijt“ Lukas 1:1-4 (NBG1951). 

Hij heeft het over „zaken, die onder ons hun beslag hebben gekregen“. Zaken die al eerder bekend waren gemaakt, maar nog niet gerealiseerd: „gelijk ons hebben overgeleverd degenen, die van het begin aan ooggetuigen en dienaren van het woord geweest zijn“. In feite zegt Lukas dat hij hetgeen anderen hebben gezien - en waarvan ze getuigen - op schrift heeft gesteld. Lukas was er zelf niet bij, maar hij zet een getuigenis op papier. De ooggetuigen, waar hij het over heeft, hebben gezien dat nu werkelijkheid was geworden, wat door het oude testament al werd aangekondigd en als een schaduw vooruit werd geworpen. 

Het woord van God

Dat maakt de komst van Jezus Christus tot de kern van waar het in de Bijbel over gaat. Het oude testament geeft getuigenis van Jezus Christus in die zin dat Hij er aankomt en het nieuwe testament getuigt van het feit, dat Hij is gearriveerd. De schrijvers van de Bijbel (zowel het oude - als het nieuwe testament) leggen getuigenis af van hoe de gelovigen daarmee omgingen. 

De woorden die God in het oude testament sprak, waren gericht tot het volk Israël, dat bij het uitspreken van die woorden aanwezig was. Maar alle woorden, die God sprak, hadden in feite Christus als middelpunt. Dat impliceert dat die woorden, uitgesproken onder het oude verbond, met de komst van Christus óf zijn vervuld óf vervuld zullen worden. Ze staan immers alle met Christus in verband. Zelfs de wet had tot doel het volk te begeleiden tot de komst van Christus. Daarom is de taak van de wet als tuchtmeester in Christus ten einde gekomen: „De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden. Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester“ Galaten 3:24-25 (NBG1951) 

Alle profetie is of wordt vervuld IN Christus. Daarom staat er: „Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie“ Openbaring 19:10 (NBG1951). Dat maakt de Bijbel tot één, groot getuigenis van Jezus Christus. In de brief aan de Hebreeën staat: „Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon“ Hebreeën 1:1 (NBG1951). Dat betekent echter ook, dat God met de komst van Jezus Christus is uitgesproken. Dat wordt overigens bevestigd in het vervolg van de tekst in Hebreeën: „die (Jezus Christus) Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft“ Hebreeën 1:2 (NBG1951). 

Met de komst van Jezus Christus is het scheppingswerk - en dus het creatieve spreken - van God afgerond en gaat God zelf tot zijn rust in (Hebreeën 4:10). Dat betekent dat God, die Geest is, geen werken meer uitvoert, maar nu afwacht tot zijn laatste scheppingsdaad (de schepping van de Goddelijke mens) is afgerond. Het woord van God heeft zijn ultieme Creatie in beweging gebracht; nu kan die op eigen kracht de beweging afmaken.

Het Bijbels getuigenis

De Bijbel getuigt van het handelen van God in de schepping. Dat betekent, dat de mensen die uiteindelijk de Bijbel schreven, geen wetboek wilden vervaardigen, maar eenvoudig getuigen waren van wat God deed om Zijn ultieme doel te bereiken. Het is om die reden niet correct om de Bijbel wel als een wetboek te zien. Een wet is bedoeld om iets in stand te houden (al is het maar tijdelijk; tot het moment dat de wet niet meer nodig is), dus kan het spreken van God nooit worden gezien als een wet, die moet worden gehouden. Het spreken van God gaat daaraan voorbij, want God richt zich altijd op de volkomenheid. De wet echter, laat alleen de onvolkomenheid maar zien.

Bijbels gezien, bevindt de mensheid zich in een overgangssituatie. Een klein, maar groeiend deel van de mensheid heeft zicht gekregen op de eeuwigheid, die al is gerealiseerd in Jezus Christus. Het overblijvende, maar krimpend deel van de mensheid is nog verblind en tracht in een ondergaande samenleving het hoofd boven water te houden. Het is echter de Schrift, die vooraf getuigt van het heil dat heel de wereld zal zien. De belofte is dat uiteindelijk iedere knie zich zal buigen voor he Heer Jezus Christus, die God als Heer der Heren heeft aangesteld. Het proces dat naar dat moment onderweg is, kan door niets meer worden tegengehouden. De reden is, dat God zelf het woord heeft gesproken dat als een hecht fundament onder dat proces is gelegd.

Het oordeel is gesproken in Christus. Dat wil zeggen dat het, óók in onze tijd, nog steeds naklinkt. Jezus zit op de troon en volvoert het woord dat door God gesproken is. En als dat achter de rug is en alles geoordeeld is, zal Hij de Hem gegeven heerschappij weer aan de Vader teruggeven. Dat is het moment dat heel de herstelde schepping ook tot de rust van God in kan gaan. Dan zal God opnieuw zijn stem laten horen en de schepping laten delen in alles dat Hij nog in voorraad heeft, maar nog niet heeft geopenbaard, want: „gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben“ 1 Korinthiërs 2:9 (NBG1951). Als het om zegen gaat, is God de Vader nog lang niet met ons klaar.