De titel van deze overdenking verwijst naar een uitspraak van Jozua, die hij ten overstaan van het volk Israël doet, nadat ze Kanaän in bezit hebben genomen. Hij zegt dan: „Welnu, vreest dan de HERE en dient Hem oprecht en getrouw; doet weg de goden die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde der Rivier en in Egypte, en dient de HERE. Maar indien het kwaad is in uw ogen, de HERE te dienen, kiest dan heden, wie gij dienen zult: òf de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, òf de goden der Amorieten, in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen!“ Jozua 24:14-15 (NBG1951).

Opmerkelijk is dat de zin: „Kies dan heden wie gij dienen zult“ slaat op het dienen van de goden van óf Egypte óf de goden van Kanaän. Hijzelf zegt echter: „Maar ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen!“ Op dat moment waren er dus maar liefst drie keuzes. Het dienen van de goden van Egypte, de goden van Kanaän en de God van Israël. Maar die drie keuzes waren er alleen voor Israël. Dus voor de andere volken waren die keuzes er niet; zij hadden geen andere keuze dan het dienen van de eigen goden. 

Waarom zei Jozua het echter op die manier? Waarom zei hij niet gewoon tegen het volk Israël dat ze twee keuzes hadden: het dienen van vreemde goden of het dienen van de ware God? De reden was dat voor het volk geen wezenlijk onderscheid was tussen het dienen van de goden van Egypte, de goden van Kanaän en de ware God. De reden dat ze de ware God willen dienen was niet omdat ze Hem kenden en liefhadden, maar omdat ze zijn kracht en heerschappij over de andere goden hadden gezien. Jozua zag echter het hart van God achter alles dat Hij had gedaan. Dat had hij al gezien toen hij nog als enige met Mozes op de berg was, toen God zijn tien geboden gaf en het volk intussen een beeld maakte naar voorbeeld van de goden van Egypte. Jozua hield Israël echter twee keuzes voor, zodat ze later niet konden zeggen, dat ze omwille van Jozua voor het dienen van de God van Israël hadden gekozen; het was hun eigen vrije keuze en alleen zijzelf waren daarvoor verantwoordelijk.

God wil via het volk Israël de hele wereld, dat is de mensheid, naar de vrijheid leiden. De keuze die Jozua het volk voorhield had dan ook slechts daarmee te maken. Het volk Israël werd een tijdelijke en beperkte vrijheid geboden, namelijk een vrijheid die werd gekaderd door de wet, totdat Degene zou komen waarin vrijheid voor iedereen zou worden gerealiseerd. De overige volken konden verder gaan met waar ze al mee bezig waren.

De keuze van Jezus Christus

Als Jezus zich openbaart aan Israël dan heeft Hij een boodschap die verder gaat dat het bevrijden van Israël uit de beperktheid van denken, waar in feite elk mens mee behept is. De vrijheid waar Jezus over spreekt, geldt iedereen die de beperkingen van de vergankelijkheid ervaart. De wet voor Israël had ten doel de kaders of grenzen van de natuurlijke mens te laten zien. Daarom kwam Jezus als eerste naar Israël. Velen (dus niet iedereen) hadden al in de gaten gekregen dat het leven dat Israël leefde, niet in vrijheid maar in beperktheid was. Maar er waren ook Joden die het leven binnen de wet tot hun voordeel hadden gemaakt. Zij hadden er als het ware het beste van gemaakt en zagen het opheffen van de beperkingen niet tot hun voordeel. En zij gingen is verzet, want zij wilden aan de wet vasthouden.

Net als Jozua een kleine duizend jaar vóór Hem, openbaart Jezus een keuze: „Gaat in door de enge poort, want wijd is [de poort] en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden“ Mattheus 7:13-14 (NBG1951). De keuze die Jezus het volk voor hield, had niets met een nauwkeurig navolgen van de wet te maken, maar was van een ander karakter; Jezus sprak over de toegang tot het Koninkrijk van God. 

Jezus Christus en zijn nakomelingen

Jezus heeft door zijn dood aan het kruis de muren van de beperking verwijderd; na het kruis van Jezus Christus, is de status van ieder mens gelijk. Elk mens kan nu werkelijk een keuze maken. Een status die je zou kunnen vergelijken met die van Adam in de hof in Eden, doch voordat hij overtrad. Adam wist niet van een keuze voor het leven; zijn nakomelingen weten wat zijn keuze voor het niet-leven heeft uitgewerkt. Iedereen heeft sinds Adam de vergankelijkheid of de sterfelijkheid leren kennen. Een sterfelijkheid waar men zich op eigen kracht niet uit kon bevrijden. En nu zegt Jezus dat er opnieuw een keuze mogelijk is; een keuze voor een weg ten Leven of een keuze voor een weg ten dode. Op deze wijze is elk mens voor zichzelf verantwoordelijk en kan niemand zich nog verschuilen achter Adam en op hem wijzen als de schuldige.

De tweede of ware Adam, Jezus Christus, staat opnieuw aan het begin van een nieuwe mensheid, waarvan de leden op enig punt in hun leven eenmalig en definitief hebben gekozen voor de smalle weg, die ten leven leidt. Voor de komst van Jezus kon niemand daarvoor kiezen, alleen Israël had de mogelijkheid gekregen om te kiezen voor het via de wet dienen van de ware God. Dat was echter niet een keuze voor de smalle poort, maar slechts een tijdelijke oplossing; het wachten was op de Verlosser van de wereld, die weer geboren zou worden uit het ware volk van God, dat zich ondertussen binnen Israël ontwikkelde.

Consequenties

Je kunt aan een gelovige herkennen of hij werkelijk heeft gekozen voor de smalle poort. Iemand kan zeggen dat hij heeft gekozen voor een leven met Jezus Christus, maar als hij niet op de smalle weg wandelt, is zijn getuigenis van geen waarde. Jezus zegt: „Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid“ Mattheus 7:21-23 (NBG1951). 

Het wandelen op de smalle weg betekent voor de gelovige dat hij de wil van God doet. Zo’n gelovige wordt gekenmerkt door de goede vruchten die hij voortbrengt: „Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen“ Mattheus 7:18-20 (NBG1951).