Er zijn in de wereld veel mensen die om de een of andere reden gevangen zitten. In de gevangenis wordt je op z’n minst beperkt in je vrijheid; je kunt er niet vrij uitlopen. Als je echter weet hoelang je nog beperkt wordt in je vrijheid, kan het besef eens vrij te zijn je hoop geven. Maar stel je nu eens voor dat je niet anders weet, dan dat je leven wordt beperkt door vier muren; je bent in gevangenschap geboren en je hebt geen idee hoe het er ‘buiten’ uitziet. Je weet zelfs niet dat er een ‘buiten’ is. Dan blijft er maar één ding over en dat is er maar het beste van maken.

De beperking

Sinds de overtreding van Adam bevindt de mens zich in een situatie die vergelijkbaar is met een gevangenis. Die situatie was het gevolg van de overtreding. Voor de overtreding was de mens nog vrij; hij kon nog kiezen waar waar hij heen wilde. In de hof in Eden bestond echter maar één keuze dat was de keuze om niet van de vrucht van kennis van goed en kwaad te eten. Toen Adam echter éénmaal had gekozen voor het eten van de vrucht, bleef geen keuze meer over; in feite is dat een beperking die vergelijkbaar is met een gevangenis waarvan je de muren niet ziet.

De nakomelingen van Adam zijn allen in die beperking geboren. De beperking waar alle nakomelingen mee te maken hebben gekregen, is dat ze allemaal eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Maar in tegenstelling tot Adam hebben ze niet meer de keus om NIET te eten. Er is simpelweg geen alternatief. Op die manier wordt de beperking in feite in het nageslacht van Adam geprolongeerd. Het enige dat sinds de overtreding van Adam voor alle mensen overblijft is er maar het beste van te maken.

Kennis van goed en kwaad

Kennis leidt tot oordeel. Oordelen is scheiding aanbrengen. Als het gaat om goed en kwaad, betekent het dus dat geoordeeld wordt tussen goed en kwaad. De kennis van goed en kwaad dat de boom oplevert, is relatief. Dat betekent dat het goed en kwaad van elkaar afgeleid worden. Uiteindelijk moet de mens in de praktijk van het dagelijkse leven leren onderscheiden wat het verschil is tussen goed en kwaad. Hij moet door de ervaring wijs worden. Maar omdat de mens zijn kennis van goed en kwaad alleen maar aan zichzelf kan relateren, is ook de wijsheid die die kennis voortbrengt relatief van aard. Als niet iedereen dezelfde norm hanteert, ontstaan vanzelf conflicten. En conflicten kunnen maar op twee manieren worden opgelost. Of er wordt naar een compromis gezocht óf het conflict wordt uitgevochten. In het eerste geval ontstaat er een soort gemiddeld goed en kwaad waar alle partijen zich in kunnen vinden en in het tweede geval prevaleert slechts één visie en worden de andere visies tenietgedaan.

De geschiedenis heeft echter laten zien, dat de mensheid niet in staat is compromissen te sluiten, maar conflicten altijd laat escaleren. De reden daarvoor is dat er altijd mensen zijn die denken dat ze beter weten wat goed en wat kwaad is, dan een ander en hun ‘wijsheid’ aan anderen opleggen. Er zijn echter ook mensen die beseffen, dat de kennis van goed en kwaad in de mens zelf z’n oorsprong vindt en daardoor relatief van aard is en voortdurend verandert. Er blijft voor de natuurlijke mens (dat wil zeggen de mens die eet van de boom van kennis van goed en kwaad) uiteindelijk dus maar één oplossing over en dat is het opstellen van regels, waar iedereen zich aan conformeert. Die regels vormen dan wetten waar iedereen zich aan moet houden. Wetten ontstaan als een groep mensen bepaalde regels collectief voor geldig verklaart en besluit zich aan die regels te houden; wetten regelen het verkeer in samenlevingen op het terrein van goed en kwaad.

De wet voor Israël

Menselijke wetten en regels zijn ontworpen om samenlevingen in stand te houden. Dat impliceert dat het individu ondergeschikt is aan de samenleving. Individuen die zich niet aan de regels onderwerpen, worden uit de samenleving geweerd. Dat geldt in algemeen ook voor de wetten die God aan Israël geeft. Er wordt aan de wet voor Israël echter een element toegevoegd dat aan de wetten van andere volken vreemd is en dat is de zorg voor het individu. Jezus zegt dat heel de wet is vervuld (of wordt gedragen) door het houden van slechts twee regels. 

Die twee regels zijn: „God liefhebben boven alles“ en „de naaste liefhebben als jezelf“. Ik schreef hierboven dat de wet voor Israël slechts op één element afweek van de wetten van de overige volken; het element van god liefhebben hebben ze gemeenschappelijk. Alle wetten zijn van goddelijke oorsprong. De wetgever, over het algemeen was dat de hoogste leider van een volk, ontleende daaraan zijn autoriteit. Niemand haalde het dan in z’n hoofd om die wetten te overtreden, want dan moest je rekenschap afleggen aan de god zelf. Je kon dus laten zien dat jouw god liefhad, als je je, het liefst zo nauwkeurig mogelijk, hield aan de wet. 

De regel: „het liefhebben van de naaste“ was echter uniek. Daarmee liet de God van Israël zien, dat het in zijn wet om iets anders ging dan het puur naleven van de wet. Hij wilde tonen dat je Hem juist liefhebt in het liefhebben van de naaste als jezelf. Israël is echter bij het houden van de wet niet aan de tweede regel toegekomen en daardoor is tevens de eerste regel niet vervuld. Hieruit blijkt dat alle wetten, die van Israël én die van de overige volken, in zichzelf altijd tekort schieten. Het enige onderscheid is dat God aan de wet die Hij aan Israël gaf, een onderwijzend element had toegevoegd. Een element dat als een soort wegwijzer vooruit wees naar een moment waarin de onderwijzing zou zijn voltooid; Israël was, in tegenstelling tot de overige volken, onderweg naar een plek die we ‘Gods thuis’ zouden kunnen noemen. En als Israël eenmaal zou zijn thuisgekomen, kon de uitnodiging uitgaan naar de overige volken, zodat ook zij naar ‘Gods thuis’ onderweg konden gaan. 

Koning Jezus en de wet in het Koninkrijk

Paulus zegt dat de wet voor Israël een leermeester is geweest tot het moment dat Jezus Christus het stokje overnam. God zelf bevestigde Jezus’ autoriteit door Hem zijn troon en het oordeel te geven. Het oordeel is dat iedereen die Jezus aanneemt als Koning nu de mogelijkheid krijgt een kind van God te worden. Dat wil zeggen dat dezelfde Geest die in Jezus is, ook in de gelovige komt wonen en in hem het zoonschap uitwerkt. Je wordt dan een onderdeel van het nieuwe verbond, dat God de Vader in Jezus Christus heeft gerealiseerd: „Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn“ Hebreeën 8:10 (NBG1951).