Wat is een echte volgeling van Christus?

Er gaat aan deze vraag een vraag vooraf: „Hoe word je een echte volgeling van Christus?“ Het antwoord op deze, laatste, vraag werkt als vanzelf als een filter.

In Johannes 6 wordt onder andere verhaald van een wonderbare spijziging. Als de schare de dag daarop weer op zoek gaat naar Jezus, dan zegt Hij tot hen:

  • Joh. 6:26-27 (NBG1951) "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt“. 

Vele christenen komen tot Jezus, omdat ze onder de indruk zijn van wat Hij doet. Of in ieder geval van wat ze denken dat Hij doet. Het zijn, zoals ik dat graag uitdruk, supermarkt-christenen. Ze nemen zelf een besluit om naar Jezus te gaan en Hem te volgen, want Hij geeft hen te eten. Dat impliceert echter ook, dat als het eten hen op een bepaald ogenblik niet meer smaakt of verzadigt, dat ze op zoek gaan naar iets anders. En dan zie je vaak, dat men óók van Jezus een beeld maakt, dat past binnen een theologie die men voor zichzelf heeft ontwikkeld.

Vandaar dat men dan vraagt:

  • Joh. 6:28 (NBG1951) "Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?" 

Iemand die om deze reden naar Jezus toekomt en Hem wil volgen, vraagt altijd: "Wat moet IK doen, opdat IK kan laten zien, dat IK Gods werk doe". Het is de houding van de natuurlijke christen, die altijd op de één of andere wijze vastzit aan de wet en wil laten zien, dat hij een goed christen is. Jezus zegt dan:

  • Joh 6:29 (NBG1951) "Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft" .

Nu wordt het enigszins cryptisch, want Jezus beantwoordt de vraag met een antwoord, dat misplaatst lijkt. De schare vraagt: Wat moeten wij doen, opdat wij Gods werk mogen werken, maar Jezus zegt eigenlijk: Niet júllie doen Gods werk, maar God werkt zélf. En het werk dat God doet, is dat jullie geloven in Hem die Hij heeft gezonden. Hier zien we dus een contrast ontstaan, namelijk tussen hen die in Jezus geloven vanuit zichzelf en hen die in Jezus geloven, omdat God zelf dat geloof in hen bewerkt.

Er ontstaat dan een gesprek (discussie?) tussen hen die Jezus vanuit zichzelf willen volgen en Jezus die zegt, dat het zo niet werkt. Dat gesprek sla ik hier even over, omdat Jezus dan weer ingaat op de vraag: Hoe kun je een ware volgeling van Mij herkennen. Of liever gezegd: "Hoe kan een volgeling van Jezus zichzelf herkennen als een ware discipel?" (Zie het vervolg onder de kop: Hoe herken je jezelf als volgeling?) Waar het nu over gaat, is hoe je überhaupt een ware discipel van Jezus wordt. Dat wordt concreet door Jezus aangegeven iets verderop in het gesprek. En deze uitspraak laat helemaal geen ruimte meer voor het eeuwige: "Ja, maar": 

  • Joh. 6:44-47 (NBG1951) "Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven." 

Niemand kan komen, tenzij ... De grote vraag die iedere Christen nu dus voor zichzelf zal moeten beantwoorden is dus: "Volg ik Jezus vanwege hetgeen IK bij Hem verwacht te vinden?" of "Volg ik Jezus, omdat vanuit mezelf niets meer verwacht en ik door de Vader naar Jezus toe ben gebracht?" Ben ik dan een voorbeeld van een volgeling, die "door God Zelf (Zijn Geest) wordt geleerd? Want "een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij (Christus)". Er is immers slechts Één die namens God kan spreken en leren, en dat is Gods Geest zelf.

Hoe herken je jezelf als volgeling 

Jezus zegt: „Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij“ Joh. 6:65 (NBG1951). Een echte volgeling is door de Vader bij Christus gebracht. De reden is, dat er velen wegen zijn, maar dat er maar één naar Christus leidt. En die weg is blijkbaar alleen bij de Vader bekend. Een vraag die dus kan opkomen bij een volgeling van Christus is: Hoe weet ik dat ik door de Vader bij Christus ben gebracht? Of anders gezegd: Volg ik de ware Christus of volg ik een pseudo-christus. Een fake-Jezus, zogezegd. Het antwoord is te vinden in wat Jezus verder tot de schare zegt, die bij Hem zijn gekomen om de werken (de wonderbare spijziging) die Jezus heeft gedaan.

Jezus noemt zichzelf het hemelse brood:

  • Joh. 6:32-33 (NBG1951) „Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft“.

De aanwezigen gaan hier op in en vragen direct om dit brood. Ze willen het brood wel als dat lijkt op het brood dat door Mozes aan de vaderen in de woestijn was gegeven:

  • Joh. 6:34 (NBG1951) „Zij zeiden dan tot Hem: Here, geef ons altijd dit brood“.

Jezus heeft het echter over zichzelf:

  • Joh. 6:35-38 (NBG1951) „Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien. Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft“.

Het punt wat Jezus hier maakt is niet, dat als je niet door de Vader bij Hem gebracht bent, je dus fout zit, maar dat je niet door Christus wordt afgewezen als je door de Vader bij Hem wordt gebracht. Dat de Vader je bij Hem brengt, geeft de zekerheid dat je goed zit. Dit is evenwel een belangrijk punt. Want de Vader en de Zoon werken blijkbaar samen. Zonder de Vader kom je niet bij de Jezus en als je je niet bij Jezus bevindt, ben je niet door de Vader gebracht. De Vader staat niet los van de Zoon en de Zoon staat niet los van de Vader; ze zijn één. Degenen die dat principe van elkaar los maken, bevinden zich dus niet op de juiste weg. Jezus zegt later tot de discipelen: „Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben“ Joh. 14:6-7 (NBG1951).

  • Joh. 6:38-40 (NBG1951) „Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage. Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.“

Jezus is het hemelse brood dat uit de hemel komt van de Vader. Maar dat schiet vooral de Joden enigszins in het verkeerde keelgat:

  • Joh. 6:41-42 (NBG1951) „De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, en zij zeiden: Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald?“

Ze dachten dat Jezus gewoon met een set instructies zou komen waaraan ze zich konden houden. Let er op, dat dit misverstand ook vandaag de dag nog altijd zijn slachtoffers maakt. De Joden raakten het spoor bijster en ze morden hierover. Jezus zegt echter:

  • Joh. 6:43-47 (NBG1951) „Mort niet onder elkander. Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven.“

En:

  • Joh. 6:48-51 (NBG1951) „Ik ben het brood des levens. Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.“

Nu wordt het de Joden teveel, Ze snappen er totaal niets meer van. Ze zullen ongetwijfeld bij zichzelf hebben gedacht: Die man is volkomen gestoord en zou moeten worden opgenomen. Maar dan komt de climax, want het kan nog erger:

  • Joh. 6:53-58 (NBG1951) „Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij. Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.“

Dit is het moment, dat het velen afhaken. Maar ook in onze tijd is deze rede hard. Nog altijd begrijpen velen niet wat het wil zeggen: „tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage“. 

Maar dan heb ik goed nieuws voor degenen die door de Vader bij Jezus zijn gebracht. Misschien snappen ze nog niet alles wat Jezus hier zegt, maar ze ervaren een verlangen naar meer. Meer brood, meer vlees - en meer bloed van Christus. Daaraan kun je herkennen dat je door de Vader bij Jezus wordt gebracht; deze woorden doen je hart opspringen van verlangen naar meer. Petrus snapte op dat moment ook nog niet alles, maar hij wist wel dat Jezus woorden van eeuwig leven sprak: „Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven;“ Joh. 6:68 (NBG1951). Opmerkelijk is dat hij later ook het volgende zegt: „Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!“ Matt. 16:16 (NBG1951). Waarop Jezus antwoordt: „Zalig zijt gij, Simon Barjona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is“ (Vers 17). Merk op dat Petrus nog niet was gedoopt met de Heilige Geest. Blijkbaar kan God (de Geest) desalniettemin je toch iets bekend maken.

Als je echter niet door de Vader bij Jezus bent gebracht, blijft het volgen van Jezus een theorie. Maar als de Vader je bij Jezus brengt, wordt het bloed (het leven) en het vlees (de wijze waarop dat leven tot uiting komt) van Jezus tot levend voedsel voor de geest. Brood des levens. Het ligt dan ook voor de hand, dat het eten van dit vlees en het drinken van dit bloed een dagelijkse bezigheid is. Je wilt immers groeien in het kennen van Jezus Christus.

Als Jezus Christus nog steeds een theorie is, dan is het enkel kennis dat je opdoet. En kennis heeft geen leven in zichzelf en verzadigt nooit; daardoor verlang je altijd naar meer. Hieraan kun je zelf herkennen, of je een echte volgeling van Christus bent of niet.