In het artikel: „Is Gods wet ingeschapen“ schreef ik dat zich in het collectieve denken van de natuurlijk mens een beeld heeft ontwikkeld van het karakter van God. Dat beeld is geen weergave van de realiteit, maar het product van een verduisterd denken. Dat beeld - eigenlijk is het een karikatuur - weerspiegelt het karakter van de mens zelf. God groeit in die beeldvorming als het ware uit tot een soort super-mens, die in alles groter, beter en volmaakter is dan de gewone, sterfelijke mens. Zijn kracht is oneindig en Hij heeft een volmaakt inzicht in het wezen van de mens. 

Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. 

John 1:18 (HSV)

De ongelovige mens

Maar, omdat in vergelijk met deze door de mens gefabriceerde God, de mens in alles tekort schiet, voelt hij zich ten opzichte van zijn Schepper schuldig en verwacht hij dat God hem uiteindelijk de rekening voor zoveel falen zal presenteren. De Bijbel zegt immers, dat God de mens zeer goed heeft gemaakt. En dat het de wil van God is, dat de mens over de schepping zal heersen. Maar vooral weet hij, dat God hem heeft gemaakt naar Zijn evenbeeld en naar Zijn gelijkenis. En in al deze aspecten faalt de mens. Van dat ‘zeer goede’ is niet veel over, want elk mens is daarvan afgeweken en geneigd tot alle kwaad; van dat heersen heeft de mens een puinhoop gemaakt en dus ligt dat evenbeeld in scherven. Met andere woorden: de mens kon niet dieper vallen. En omdat God volmaakt rechtvaardig is, valt aan een rechtvaardig oordeel over zoveel onvermogen en kwaadwilligheid niet te ontkomen. 

Het gevolg is de angst voor de dag van het oordeel. En die chronische en collectieve angst, beheerst het leven van de mens. Overdreven? Ik denk het niet. De geschiedenis van de mensheid kenmerkt zich door de wens het bestaan van God te ontkennen. Maar men ontkent niet God zelf, want Die kennen ze helemaal niet; ze ontkennen de karikatuur die ze van Hem hebben gemaakt. In feite erkent men hiermee, dat de karikatuur een verzinsel is. En een verzinsel kun je als zodanig benoemen. Een atheïst is iemand die dat hardop zegt; een agnost is iemand die zegt het niet te weten. Maar allebei denken ze dan aan de door de mens zelf gefabriceerde karikatuur.

De gelovige mens

Ook de gelovige mens, als collectief, kent God alleen maar als karikatuur. Binnen het religieuze denken heeft men God (tenminste het beeld dat ze van Hem hebben gevormd) controleerbaar gemaakt. In feite bedenkt men zelf hoe men onder gegeven omstandigheden zou reageren en projecteert men dat vervolgens uitvergroot in het beeld van God terug. Dat ze zich op die manier op de troon van God zetten en zelf het oordeel uitspreken, ontgaat hen echter. Men oordeelt en veroordeelt er lustig op los; men zoekt allerlei Schriftplaatsen op die dat oordeel kunnen bevestigen en men maakt God tot een medeplichtige. Echter zonder zich af te vragen, hoe God er nu werkelijk over denkt. Dat alles heeft tot gevolg gehad, dat ook het begrip van de Bijbelse boodschap niet meer vrij is van vooroordelen. De bril waardoor men de Schrift leest en begrijpt, is vertroebeld en geeft enkel nog maar weer wat wat men er in wil lezen.

Niemand, dus ook de profeten van het oude verbond, heeft God ooit gezien. Nu lijkt dat een open deur, omdat God geest is. Maar wat Johannes hier zegt, heeft betrekking op het handelen - de werken - van God. In de natuurlijke wereld gebeurde van alles waar men geen ‘natuurlijke’ verklaring voor had en dus zonder meer aan God werd toegeschreven. Jeremia schrijft onder andere: „Maak het in Juda bekend, laat het in Jeruzalem Verzamel u, en laten we gaan naar de versterkte steden. Hef de banier omhoog naar Sion, breng u in veiligheid, sta niet stil, want Ik ga onheil brengen vanuit het noorden, een grote ramp! Een leeuw is opgesprongen uit zijn struikgewas, de verderver van de heidenvolken is uitgetrokken, is zijn plaats uitgegaan om van uw land een woestenij te maken, uw steden zullen vernietigd worden, zodat er geen inwoner meer is. Omgord u daarom met een rouwgewaad, bedrijf rouw en weeklaag, want de brandende toorn van de HEERE keert zich niet van ons af.“ Jeremia 4:5-8 (HSV)

Dit soort verwijzingen - God die persoonlijk onheil brengt over Israël - komen in de profeten veelvuldig voor. Zo gaat Jesaja nog een stap verder en zegt onomwonden: „Ik ben de HEERE, en niemand anders, buiten Mij is er geen God. Ik zal u omgorden, hoewel u Mij niet kende, opdat men zal weten, vanwaar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, dat er buiten Mij niets is. Ik ben de HEERE, en niemand anders. Ik formeer het licht en schep de duisternis, Ik maak de vrede en schep het onheil; Ik, de HEERE, doe al deze dingen“ Jesaja 45:5-7 (HSV). 

Zonder al te veel op de materie in te gaan, bevindt de sleutel tot het goed verstaan van deze uitspraak, zich in de eerste verzen. God maakt via Jesaja bekend, dat Hij de HEERE (Jahweh) is en dat er buiten Hem geen God is. Hij heeft alles geschapen en dus is in Zijn scheppingswerk ook duisternis en onheil begrepen. De aanwezigheid van het Licht impliceert een intrinsiek onderscheid met de duisternis. En vrede is intrinsiek onderscheiden van onheil. Het zijn als het ware twee zijden van dezelfde medaille en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de beschadigde wereld van de mens bevinden zich zowel licht als duisternis en vrede en onheil. 

De uiteindelijke verantwoording?

Uit het nieuwe testament kunnen we echter weten dat het onheil en de duisternis niet van God komt, maar in de schepping zijn ingeslopen sinds de overtreding van Adam. In de bovenstaande verzen (het vet gemaakte gedeelte) staat, dat God „het licht formeert en de duisternis schept“ en „vrede maakt en onheil schept“. Het formeren van licht en het maken van vrede impliceert een proces waar God persoonlijk bij betrokken is. Het scheppen van duisternis en onheil gebeurt echter in een punt des tijds. Hetzelfde principe zie we in Genesis 1:26-27. Daar wordt gesproken over het maken (of formeren) van de mens (in vers 26) en over het scheppen van de mens (vers 27).

Als God schept, wordt iets gecreëerd wat in potentie alles in zich heeft. Als God dan aan het werk gaat met wat Hij heeft geschapen, maakt of formeert Hij vervolgens dat wat Hij in gedachten heeft. De mens die God schept is als een blad aan een boom, dat moet op de aarde vallen, vergaan en wordt door de druk van de aarde vervolgens omgevormd tot een ruwe diamant. Die ruwe diamant wordt daarna geslepen (en dus gemaakt) tot het schitterende sieraad dat God al vanaf het moment dat Hij het schiep in gedachten had. 

Op dezelfde manier werkt het met het licht en vrede. Dat wordt geformeerd uit het ruwe materiaal dat eerder werd geschapen. Dat ruwe materiaal bevat zowel vrede als onheil of licht en duisternis, maar ook een Adam, de mens uit de aarde en een nieuwe Adam, de mens uit de hemel. Als god dus vervolgens vrede, licht en de nieuwe mens formeert, doet Hij dat door scheiding te maken tussen dat wat wel in zijn gedachten is en dat wat Hij niet in zijn gedachten heeft.

Voor het scheppen én dat proces van maken en formeren is God alleen verantwoordelijk. Dus neemt Hij ook de volledige verantwoording voor alles dat de schepping en de mens onderweg overkomt, zoals we onder andere kunnen lezen in Jeremia 4. Hij zegt als het ware, dat de mens voor z’n vragen en problemen bij Hem moet zijn. Dat is in feite wat in de hiervoorgenoemde citaten uit Jeremia en Jesaja blijkt: „Er is geen andere God waar je met je problemen, zorgen, klachten en vragen terecht kunt“.