De grote leugen die in het hart en denken van Eva ontwikkelde, was „dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden“ Genesis 3:6 (NBG). Ze zag echter pas dat de boom ‘een lust was voor de ogen’, nadat de verleider haar aandacht naar de boom had geleid. En Eva at van de vrucht. Wij weten wat uiteindelijk het concrete gevolg is, maar voor Eva was het op dat moment de vervulling van een hartewens: de vrucht zou haar helpen om wijs en verstandig te worden. En verstand en wijsheid zou ze nodig hebben, want er werd van haar en haar man verwacht, dat ze over de schepping zouden heersen als vertegenwoordiging van God, naar Zijn beeld en gelijkenis. 

De leugen

De leugen is niet dat ze (zij en haar man) als God zouden zijn, maar dat ze die status via de boom zouden bereiken. Eva at dus en ze gaf haar man ook van de vrucht. En daarmee was in feite dus ook het lot van de mensheid bezegeld. Eva was de moeder van heel het menselijk geslacht. Maar door de overtreding van Adam was de omgeving waarin haar nageslacht zou ontwikkelen, onderworpen aan de vergankelijkheid. Het enige wat ze aan het drama in de hof hebben overgehouden, was de aanwezigheid van de boom van kennis, waarvan de vrucht er, meer nog dan voorheen, aantrekkelijk uitzag om daardoor verstandig te worden. Meer nog dan voorheen, omdat er nu voorlopig gaan alternatief was. Elk mens zal dus, vroeg of laat, naar wijsheid in het onderscheiden van goed en kwaad zoeken en van de boom eten.

De zonde, als actieve verleiding, is onlosmakelijk met de boom van kennis verbonden. De verleider attendeert nog steeds op de boom, doordat de mens nog altijd zoekt verstandig en wijs te worden. Het is een vicieuze cirkel, omdat de mens ontdekt, naarmate hij van de vrucht van kennis van goed en kwaad eet, de wijsheid die hij opdoet begrensd is. Maar door de leugen van de verleider, blijft hij wel op zoek naar verstandigheid door het eten van de vrucht en ontkent de mens metterdaad dat zijn wijsheid beperkt is en blijft. Daardoor is de mens geworden als een kind dat z’n vingers in de oren steekt en weigert te luisteren naar de waarheid: de wijsheid die door de kennis van goed en kwaad ontstaat, is bij lange niet in staat om de mens de goddelijke status te geven, waar deze zo naar verlangt. Maar omdat er geen alternatief is (want dat vertelt de verleider hem), zal de mens van nature zijn geneigd, dat gebrek aan (ware = door God gegeven) wijsheid blijven ontkennen.

Dit alles heeft tot gevolg dat het denken van de mens verduisterd is geraakt. Door die duisternis heeft hij geen visie meer en ‘ziet hij enkel nog wat voor ogen is’; ondanks dat hij eet van de boom der kennis, ‘is het duister geworden in zijn onverstandig hart’ (Romeinen 1:21).

Religie of vertrouwen op Jezus

Jezus Christus is geopenbaard als een licht dat schijnt in de duisternis. Hij zegt in Johannes 12:44-46 (NBG1951) „Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem, die Mij gezonden heeft; en wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem, die Mij gezonden heeft. Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve“. En tegen degene die in Hem gelooft, wordt niets anders gezegd, dan dat deze in Zijn woorden moet blijven om vrucht te dragen: „Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft. Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen“ Johannes 15:4-5 (NBG1951).

Degene die in Christus is, is vervuld door de Geest uit God. Die leidt hem het Koninkrijk van God in om te groeien in de genade die vanuit de troon (heerschappij) van God in onze harten vloeit, waardoor de gelovige in staat is een godvruchtig leven in deze wereld te leiden: „Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven“ Titus 2:11-12 (NBG1951). 

Meer is niet nodig. Het enige dat nu nog overblijft is verwachtingsvol uitkijken naar - en hopen op de verschijning van de heerlijkheid van Christus: „verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken“ Titus 2:13-14 (NBG1951).

Maar tegelijk is dat nu juist het moeilijkste voor een mens die gewend is om zelf aan z’n godsdienst handen en voeten te geven. Vanaf de overtreding van Adam heeft de mens niet anders gehoord dan dat hij iets moest doen om te laten zien, dat hij zich bewust is van z’n zondige staat. En nu is er dan Iemand die zegt: „het enige dat je moet doen, is al je vertrouwen op Mij (Jezus Christus) stellen. Als je dat doet, dan draag je vanzelf vrucht“. Echt, Heer? Is het zo eenvoudig? Ja, het is zo eenvoudig. Heel je leven doe je al je best om aan de eisen van de wet te voldoen. En het enige dat de wet doet, is je zeggen, dat je altijd tekort zult schieten. 

Jezus heeft de wet echter geheel vervuld en dus tot zwijgen gebracht, tenminste: wat Jezus zelf betreft. En nu wordt een ieder, die tot nu toe de wet als enig middel zag om tot God te naderen, uitgenodigd om zich bij Jezus aan te sluiten. Hij is de ark van het nieuwe verbond; eenieder die daarin plaatsneemt, wordt behouden. Geen mitsen, of maren. Het is een eenzijdige en definitieve overeenkomst, zonder kleine lettertjes, opgesteld door God zelf en ondertekend met het bloed van zijn zoon Jezus Christus.