“… deze echter is, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten. Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden.”

Hebreeën 10:12-14 (NBG1951)

Schaduw en werkelijkheid

De bovenstaande tekst maakt deel uit van een betoog dat ingaat op het verschil tussen de offerdienst onder het oude verbond en die onder het nieuwe verbond. De offerdienst onder het oude verbond vloeide voort uit de wet. En omdat de wet slechts de schaduw bevat van de toekomstige dingen, waar het nieuwe verbond op uitloopt, is ook het karakter van de offerdienst veranderd. Het oude verbond functioneerde als een verwijzing naar het nieuwe verbond, waarin het oude vervuld zou worden. De offers onder het oude verbond waren tijdelijk, want ze moesten telkens weer worden herhaald; het offer van Jezus Christus was eenmalig en is voor eeuwig afdoende. 

Het tijdelijke had te maken met de status van degene die het offer bracht. De offeraar was vóórdat het offer werd gebracht zondig en was het na het brengen van het offer nog steeds. De offers boden dus slechts een tijdelijke oplossing voor het probleem; ze brachten de zondigheid van de offeraar voortdurend in herinnering. Per saldo schoot men er onder het oude verbond dus niets mee op. 

Als je de tekst in Hebreeën goed tot je door laat dringen, wordt duidelijk dat het niet direct ging om het offer zelf, maar om het hart of gezindheid van degene die het offer bracht. De gedachte dat het offer dus een soort vergoeding was voor geleden schade, is niet terecht. Dat is echter wel wat de meeste gelovigen denken. In het geval van Jezus denkt men dan ook dat Hij voor onze persoonlijke zonden betaalde! Als een soort vervanging. Jezus bracht zichzelf ten offer (dat van het zondeloze offerlam), omdat ‘ons’ offer zondig was en dus niet kon worden geaccepteerd. Jezus bracht dus het offer dat van ons werd verwacht, maar niet konden opbrengen. Hij bracht dan zijn offer in plaats van dat van ons. Maar als dat zo zou zijn geweest, dat was zijn offer gelijkwaardig geweest aan de offers die onder het oude verbond werden gebracht en had dat dus net zo min in staat zijn geweest ons besef te reinigen van zonde. Net zo min als dat gold voor de offeraar onder het oude verbond, zouden ook wij na het offer van Jezus nog altijd besef van zonden hebben gehad. Jezus had dan ook regelmatig zijn offer moeten brengen, omdat wij er niet door zouden veranderen.

Een voorbeeld kan dit principe verduidelijken: Stel, we zijn iemand veel geld schuldig. Die schuld is ontstaan doordat we de neiging hebben om te gokken. Dan kan een rijk iemand zeggen, dat hij dat vele geld in één keer afbetaald, maar daarmee zijn we niet van onze gokverslaving af. We zullen dus per direct weer een schuld opbouwen. Het opheffen van de schuld is dan geen eenmalige actie, maar moet voortdurend worden herhaald.

Het offer van Jezus Christus

God wilde dus geen ‘vergoeding voor geleden schade’; iemand die liefheeft eist geen genoegdoening voor zichzelf, maar scheldt schuld kwijt. Het punt is echter dat met de kwijtschelding zonder meer de mens ook niets was opgeschoten. Zoals gezegd: was het offer van Jezus op zich voldoende geweest om ons ‘schuldenvrij’ te maken, dan had dat nog niet betekend dat we vrij van zondebesef waren geweest. 

Toch staat er dat het offer van Jezus éénmalig was. Het is dus de vraag wat het offer van Jezus was? Toen Jezus zich in Zijn jeugd (als kind van Jozef en Maria) bezighield met de dingen die zijn hemelse Vader betroffen, werd Hem duidelijk welke taak de Vader voor Hem bedacht had. Als Jezus dan ook volwassen is en Zijn besluit heeft genomen, zegt Hij tegen de Vader: „Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik - in de boekrol staat van Mij geschreven - om uw wil, o God, te doen“. Op dat moment begon Jezus met het brengen van Zijn offer: een volkomen aan de Vader toegewijd leven. Een leven dat maar een doel had: volkomen standvastig te zijn in Zijn liefde en toewijding aan de Vader. De toewijding van Jezus Christus bereikte zijn hoogtepunt aan het kruis. Op het kruis kwam alles samen. Vandaar dat Jezus uitroept: „het is volbracht“ vlak voor het moment dat Hij sterft. 

De offers onder het oude verbond waren niet door God gewild, omdat Hij er geen behagen in had; degene die de offers bracht waren en bleven onderworpen aan (in slavernij van) de zonde. Nu was er echter een zondeloos mens, die bereid was Gods wil te doen en dat bewees door zichzelf als zodanig ten offer te brengen. In Jezus’ offer komen dus twee essentiële voorwaarden samen: enerzijds de zondeloosheid van de offeraar - en anderzijds de wil om volkomen aan het verlangen van God te voldoen. De zondeloosheid maakte dat er in feite geen offer nodig was (er hoefde niets in gedachten te worden gebracht), maar omdat Jezus desondanks uit vrije wil Zijn leven volkomen aan God beschikbaar stelde, bewees Hij daarmee in de onzienlijke wereld en voor het oog van alle macht en kracht, dat Hij de Middelaar binnen het nieuwe verbond kon zijn. 

Door Zijn toewijding (liefde tot de Vader) enerzijds en door Zijn onbaatzuchtigheid anderzijds zou Hij in staat zijn een hogepriester te zijn voor allen die op Hem hun vertrouwen zouden stellen: Philippians 2:6-8 (HSV) „Die, terwijl Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden. En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood“. Dat was uiteindelijk de wil van de Vader en daarvoor gaf Jezus Zijn leven.

Positie en autoriteit

In Jezus heeft God dus Degene gevonden die heeft aangetoond volkomen zonde-bestendig te zijn en, juist daardoor, in staat voor velen de Weg ten leven te worden. God wilde eerst een oplossing bieden voor het zonde-probleem en nu kon worden gestart met de opbouwen van het Zijn Koninkrijk. Daarom heeft God Jezus een Naam gegeven boven elke macht en kracht en Hem een plaats gegeven aan Zijn rechterhand op de troon.

Door één offerande, dat van Zijn eigen volmaakte leven, heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden. Zij namelijk, die hun vertrouwen stellen op het offer dat hun Heer heeft gebracht. Het offer dat Jezus bracht was éénmalig en op één moment; dus volmaakt, want daardoor is het nu voor ieder mens mogelijk om naar Hem toe te gaan. En degene die komen en hun vertrouwen op Hem stellen (dus ophouden met het voortdurend brengen van eigen offers) zullen door toewijding in Hem groeien en geheiligd worden. 

Volmaaktheid en Heiliging

Heiliging is een groeiproces. Dat is de reden waarom Jezus op de troon zit en afwacht. Ondertussen worden Zijn vijanden gemaakt tot een voetbank voor zijn voet. Heiliging neemt toe, doordat de vijanden in de levens van Zijn volgelingen worden overwonnen en op die wijze onder de voeten van Jezus worden gebracht. Steunend op het offer dat Jezus heeft gebracht en roemend in de macht en autoriteit van hun Heer, vernieuwt het leven van hun inwendige mens van dag tot dag naar hetzelfde beeld; dat van Jezus Christus. Niet door kracht of geweld, maar doordat de Geest van Christus samen met hun geesten belijdt dat ze kinderen Gods zijn.

Dat is de kern van het nieuwe verbond, waarmee God zich aan zijn volk verbindt. Door de Heilige Geest worden Zijn wetten in hun harten gelegd en in hun verstand geschreven. God denkt niet meer aan hun zonden en aan hun ongerechtigheden ten gevolge van het wandelen in eigen kracht, want na het éénmalige offer van Jezus is geen zondoffer meer (nodig) en is vergeving afdoende. 

Omdat heiliging een groeiproces is dat waarschijnlijk tot aan het eind van ons aardse leven plaatsvindt, zal het ongetwijfeld zo zijn, dat er zo nu en dan fouten worden gemaakt. Per slot van rekening worden we ook opgeroepen om vernieuwd te worden in de geest van ons denken. Heiliging is samen met andere heiligen onderweg zijn: 

  • Hebreeën 12:1 (NBG1951) „Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt“. 

Maar het betekent vooral het oog op Jezus gericht houden: 

  • Hebreeën 12:2 (NBG1951) „Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods“. 

Het is zijn voorbeeld dat we hebben om vol te houden. Hij is bekend met hetgeen wij op onze weg tegenkomen: 

  • Hebreeën 12:3 (NBG1951) „Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt“.

Samenvatting

Door het offer van Jezus is voor de zijnen een einde gekomen aan het oude verbond. Het oude verbond was een schaduw van het nieuwe; nu is mogelijk de zonden te vergeven. Onder het oude verbond was vergeving niet mogelijk, omdat de offers de zonden niet konden wegnemen. De offers moesten dan ook voortdurend worden gebracht. Dat was God niet welgevallig, omdat het Hem niet gaat om de offers zelf, maar om het harten van degenen die de offers brengen. Daarom zegt Paulus in de brief aan de Romeinen in 12:1 (NBG1951): „Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst“. 

Jezus bracht echter het volmaakte offer, doordat Hij, als Enige, zonder zonden was. Daardoor kon Hij de Middelaar worden van het nieuwe verbond; de wetten van God konden nu in de harten en het verstand worden geschreven. Dat schrijven in het hart en verstand is onderdeel van de volmaakte wil van God en heeft heiliging tot gevolg: Romeinen 12:2 (NBG1951) „En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene“.

Om die reden zit Jezus nu op de troon aan de rechterhand (beeld van het actuele werk van de Heilige Geest) van God en wacht Hij totdat de heiliging van Zijn volk voltooid is. Want de heiliging is groei in het zoonschap van God, terwijl wij: „ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe groeien, die het hoofd is, Christus. Aan Hem (die op de troon zit) ontleent het gehele lichaam (de Gemeente) als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde“ (Efeziërs 4:15-16).