Als je iemand iets duidelijk wilt maken dat op geen enkele wijze deel uitmaakt van zijn kennis - en belevingswereld, zul je voorbeelden moeten gebruiken om hem in elk geval een indruk te geven van je onderwerp. Om deze reden sprak Jezus over het Koninkrijk Gods of het Koninkrijk der hemelen in gelijkenissen; Hij gebruikte voorbeelden uit het dagelijks leven van zijn toehoorders, zodat men in elk geval een relatief begrip kreeg van waar Jezus het over had. Degenen die Jezus toehoorden waren zonder uitzondering Joods. Zij hadden allemaal een religieus fundament, dat op zich weer wortels had in de Schrift. In de tijd van Jezus bestond de Schrift alleen nog maar uit wat wij kennen als het Oude Testament.

Johannes de doper

Johannes de doper was de laatste profeet van het oude verbond, die, net als de profeten voor hem, de komst van het Koninkrijk van God aankondigde. Hij had alleen, evenals degenen die hem waren voorgegaan, geen idee hoe het Koninkrijk er concreet uit zou zien. In algemeen dachten ze allemaal dat het te maken had met het herstel van Israël en de invloed die de natie vervolgens zou hebben voor heel de wereld; de natie Israël zou in het Koninkrijk boven alle naties en volken een prominente plaats krijgen. En de regering zou zetelen in Jeruzalem. 

Als Johannes de doper door Herodes is vastgezet, dan laat Johannes vanuit de gevangenis zijn discipelen aan Jezus vragen: „Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?Lukas 7:19 (NBG1951). Hij begon te twijfelen aan zijn eigen boodschap; hij had eerder verkondigd dat het Koninkrijk op het punt van doorbreken stond, maar nu zat hij in de gevangenis en dat was in die tijd een plek waar alle hoop op een goede uitkomst verdween als sneeuw voor de zon.

Het antwoord van Jezus is echter anders dan hij had verwacht. In plaats van: „Maak je geen zorgen, Ik ben op weg naar Jeruzalem met mijn gevolg en daar zal Ik mijn rechtmatige troon opeisen en dan zal het koningschap voor Israël worden hersteld“, zegt Jezus: „Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij gezien en gehoord hebt: Blinden worden ziende, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt, armen ontvangen het evangelie; en zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemtLukas 7:22-23 (NBG1951). Johannes verwachtte iets anders dan wat hij te horen kreeg en vond waarschijnlijk dat Jezus zich teveel met zaken bezig hield, die er in zijn optiek in feite niet toe deden. Vandaar dat Jezus aan zijn antwoord de opmerking toevoegt: „en zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt“.

Geestelijk inzicht

Waar het Johannes de doper aan ontbreekt, is geestelijk inzicht. In feite ontbrak het iedereen, behalve Jezus natuurlijk, aan geestelijk inzicht. Geestelijk inzicht is het begrip dat ontstaat wanneer de geest van een mens wordt onderwijzen door de Geest van God zelf. Dat inzicht kwam echter pas beschikbaar na de uitstorting van de Heilige Geest op de eerste Pinksterdag, veertig dagen na de opstanding van Jezus Christus.

En Johannes was dus niet de enige die geen geestelijk inzicht had; ook de discipelen van Jezus zelf hadden er last van. In feite was dat de reden dat Jezus ook hen onderwees via gelijkenissen. Maar Hij beloofde aan zijn volgelingen we andere tijden. Tijdens het laatste paasmaal dat Hij met zijn naaste volgelingen eet, zegt Hij: „Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen. Al wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zeide Ik: Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigenJohannes 16:12-15 (NBG1951). 

Gelovigen die geen geestelijk inzicht hebben, kijken als het ware in een spiegel; ze zien alleen zichzelf en hun natuurlijke omgeving. Een gelovige, die niet wordt onderwezen door de Geest van God, is een natuurlijke gelovige die alleen ziet wat in de spiegel wordt gereflecteerd. De Geest van God geeft de gelovige, als het ware, het vermogen door het spiegelende oppervlak van de spiegel te kijken en te zien wat zich achter de spiegel bevindt. Dat wat Jezus aan Johannes de doper antwoordde was een gelijkenis; Hij kon de ogen van Johannes nog niet openen, zodat deze het Koninkrijk zelf kon zien, maar Jezus kon Johannes wel tonen wat het Koninkrijk van God teweeg bracht. 

Een nieuw verbond

Alles dat voor de komst van Christus plaatsvond, hoorde bij het oude verbond. De gelovigen onder het oude verbond konden niet meer zien, dan de spiegel hun liet zien. Ook de profeten konden niet achter de spiegel kijken. Dat wil echter niet zeggen dat de Geest van God niets duidelijk kon maken. De Geest kon oprechte gelovigen wel onderwijzen, maar slechts door gelijkenissen. Ze konden niet de realiteit van het Koninkrijk zien, maar konden wel het effect begrijpen, dat het Koninkrijk op de wereld zou hebben als het er eenmaal zou zijn. Voor de oudtestamentische gelovige betekende het, dat ze begrepen dat hetgeen zij zagen een gelijkenis was en dat ze het niet in de natuurlijke wereld konden ‘invullen’. Vandaar dat de apostel Petrus pas nadat hij de Heilige Geest heeft ontvangen, kan schrijven: „Hun (de profeten) werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan1 Petrus 1:12 (NBG1951). 

Het nieuwe verbond wordt gekenmerkt door de werking van de Heilige Geest in de harten van individuele gelovigen, die door diezelfde Geest tot een eenheid in de geestelijke wereld worden gesmeed. Die eenheid is het lichaam van Christus. Het lichaam van Christus functioneert als een gelijkenis voor alle mensen die niet worden onderwezen door de Heilige Geest. Ongelovigen en natuurlijke gelovigen kunnen het Koninkrijk van God niet zien, maar ze kunnen wel de effecten zien, die het Koninkrijk heeft op hen die door Gods Geest worden geleid. Hetgeen dat kan worden gezien, zijn de werken Gods. Anders gezegd, een geestelijke gelovige is als een boom die goede vruchten voortbrengt; vruchten die voortkomen uit de werking van Gods Geest.

Jezus zelf wandelt niet meer in het vlees ( = als mens) op deze wereld, maar zijn lichaam doet dat wel. En daardoor neemt het getuigenis van het Koninkrijk Gods alleen maar toe; het aantal geestvervulde gelovigen in deze wereld neemt nog altijd toe. Dus, om het met een oud liedje van Dorus (Tom Manders) te zeggen: „Zorrug dat je erbij komt“. Strek je uit naar de Geest van God en laat Deze heel je wezen vervullen, zodat je in alle vrijheid achter de spiegel kunt kijken en je alvast kunt verheugen in alles dat voor hen die Hem (Jezus Christus) van harte liefhebben, gereed ligt.