Op deze website zijn inmiddels al enige woorden gewijd aan de, al dan niet vrije, wil. Het is overigens een onderwerp dat ook met enige regelmaat terugkeert in maatschappelijke discussies. Vooral nu blijkt dat de wereld (de verzamelde samenlevingen van de mens) zich niet zo ontwikkelt zoals mensen van ‘goede wil’ dat willen. We willen wel het goede, maar krijgen maar niet voor elkaar dat goede uit te werken, omdat blijkbaar niet iedereen hetzelfde wil; men is verdeeld over de vraag wat dan het goede is. Ik hoorde laatst iemand in een podcast de vraag stellen: „Is er vrije wil in de hemel?“ Zijn betoog was, dat als er vrije wil in de hemel is, dan moet er ook lijden zijn, omdat de vrije wil van de één, die van de ander zal beperken en dat veroorzaakt dan weer lijden. Het zij dan dat er in de hemel geen vrije wil is, maar dan kan liefde niet bestaan. In dit artikel zal ik antwoord op die vraag geven. Maar natuurlijk niet voordat we weten waar we het eigenlijk over hebben. Wat is precies een vrije wil? En als deze niet vrij is, waardoor wordt hij dan beperkt?

Toen de discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?Maar Hij keerde Zich om, bestrafte hen en zei: U beseft niet wat voor geest u hebt, 

Lukas 9:54-55 (HSV)

De wil

In de loop van de eeuwen is er verschillend tegen de wil aangekeken. In de „Encyclopedie van de Filosofie” van uitgeverij Boom Amsterdam, 2007, lees ik:

  • 1. Wil als een algemeen dynamisch principe dat de gehele 'werkelijkheid omvat, zoals in 'Schopenhauers Die welt als Wille und Vorstellung (1819), of een bepaald centraal aspect van de werkelijkheid, zoals in 'Nietzsches begrip van de Wille zur Macht (wil tot de macht).
  • 2. Wil als aanduiding voor de vitale impulsen, waardoor het gedrag van (alle) levende wezens richting en vorm krijgt; zo bezien omvat de wil ook de driften en instincten, al zijn die niet bewust.
  • 3. Wil als benaming van de specifiek menselijke mogelijkheid doeleinden na te streven en een hiërarchie van waarden intact te houden, ook bij tegenslag en ondanks de werkzaamheid van andere impulsen. 

In alle drie omschrijvingen wordt de wil omschreven als in feite passief. De wil is een instrument dat helpt om keuzes uit te voeren. De wil maakt die keuzes niet zelf, maar is onderworpen aan iets dat als het ware boven de wil staat. In het eerste punt is de wil een algemeen dynamisch principe dat de hele werkelijkheid omvat. Zeg maar een soort collectieve wil. Nietzsche zag de wil als het collectieve verlangen van de mens om macht uit te oefenen. Een soort oerdrift, zeg maar. In het tweede punt ligt de nadruk op het pure verlangen van alle levende wezens om er het beste van te maken. Dus in plaats van macht uitoefenen, is de wil hier de impuls om te (over)leven. In het twee geval is de wil dus niet bewust relationeel (gericht op die ander), maar veel meer een uiting van een oerverlangen waar de mens in feite geen invloed op kan uitoefenen. In de derde omschrijving is de wil tot het hulpmiddel geworden dat, specifiek, de mens helpt om doelen na te streven en waarden intact te houden.

Ik zelf kan me met name vinden in de laatste omschrijving. Het eerste punt voegt bewust een richting van de wil toe (de wil tot het uitoefenen van macht), het tweede punt is me ergens te passief en maakt de wil teveel afhankelijk van (ingeschapen) driften. Het derde punt echter, suggereert een mate van vrijheid, terwijl de eerste twee, de wil onderwerpen aan, enerzijds, de ‘wil’ tot het uitoefenen van macht en anderzijds, de wil ‘willoos’ of in ieder geval, onderworpen maakt. Als we echter de drie omschrijvingen goed tot ons door laten dringen, valt op dat er in alle drie omschrijvingen iets aan de wil vooraf gaat. In het eerste geval is dat de impuls om te (over)heersen, in het tweede geval zijn het de ingeschapen driften en in het derde geval is het het nastreven en bereiken van doelen. Dat wat, mijn inziens, aan de wil vooraf gaat, is de geest (inspiratie) of de motivatie.

Geest

Alle handelingen zijn uiteindelijk het gevolg van de wil. Maar wat men ‘wil’ doen is afhankelijk van de geest. En dan komen alle drie omschrijvingen weer in beeld. In het eerste punt is de mens geïnspireerd tot het uitoefenen van macht. In het tweede punt gaat het om een ingeschapen basismotivatie waar in feite geen enkel levend wezen zich aan kan onttrekken. Maar in het derde punt is de motivatie teruggebracht tot een puur menselijk streven, doelen en waarden na te streven en een zekere hiërarchie in stand te houden. De geest van de mens bepaalt in feite de richting van de wil en geeft de kaders aan. Als de geest niet meer inspireert dan de basisbehoefte, komt de wil tot rust als daar aan is voldaan. Als de geest gericht is op het uitoefenen van macht, dan zal de wil altijd naar macht onderweg zijn. De wil is de dienaar van de geest. De geest van de mens is hetgeen wat de waarde en het doel bepaalt van het leven zelf; de wil maakt het mogelijk die waarden en doelen ook te bereiken.

De geest is om die reden het fundament of bron van het leven; er is niets dat daar in gezag boven uitgaat. Daarom is uiteindelijk alleen een mens zelf verantwoordelijk voor z’n handelen. In de geest van de mens liggen zin en motivatie voor het zijn bestaan. Is de geest beperkt, dan is de wil dat ook. De wil is echter niet in zichzelf beperkt. De vrijheid van de wil, staat of valt dus met de vrijheid van de geest. En daar zit ‘m nu net de kneep. Een vrije wil bestaat niet, als de geest niet vrij is. De natuurlijke mens kent echter één begrenzing en dat is de zonde. De zonde heeft zich genesteld in het denken en beïnvloedt daar de geest die de wil weer aanstuurt. Ik zou het zelfs nog sterker kunnen zeggen: de geest van de natuurlijke mens is dood of vruchteloos; hij is niet in staat zich te ontworstelen aan de vergankelijkheid of zinloosheid van zijn bestaan. Alles dat hij bedenkt of voortbrengt vervalt uiteindelijk tot stof en verdwijnt (als de wind er overheen waait).

En omdat de geest dood is, zal ook de wil niets anders kunnen voortbrengen dan dode werken. Dat blijkt ook wel, want niemand op de aarde zal kunnen zeggen, dat wat de mens voortbrengt eeuwigheidswaarde heeft. Nu zijn er gelovigen die denken, dat de geest door God is gegeven en dat die derhalve eeuwig is, maar dat is een misverstand. God heeft de mens wel een geest gegeven, maar die krijgt pas eeuwigheidswaarde als de Geest van God zich met die geest verbindt en tot leven wekt. Als een menselijke geest door de Geest uit God tot leven wordt gewekt, wordt deze bevrijdt uit de begrenzing van de dood; hij wordt een vrije geest. Als je dit tot je door laat dringen, zie je in dat de menselijke geest in slavernij is van de zonde die tot de dood leidt en zichzelf nooit zal kunnen bevrijden uit dit juk. Iets dat dood is, kan niet tot leven komen, tenzij het leven er van buitenaf wordt ingebracht. De alomtegenwoordige dood, wordt dan overwonnen levende Geest van God zelf en de menselijke geest kan vervolgens leren functioneren in vrijheid van leven. De bevrijding is een eenmalige gebeurtenis, maar voor het continueren en ontwikkelen van een leven in vrijheid, is nodig dat de geest van de mens verbonden blijft met de Geest van God.

Vanaf dit moment begint dus een leerproces. De geest van de mens wordt onderwezen in het leven in Gods nabijheid. Maar dat betekent ook dat de geest van de mens het wezen van God leert kennen. Hij krijgt inzicht in de diepten van Gods Geest. Dat heeft weer tot gevolg dat er een hechte relatie ontstaat; de Geest uit God verklaart samen met de geest van de gelovige mens, dat deze een kind van God is (uit de Geest van God geboren). En dat wordt weer bekrachtigd doordat de liefde tot God toeneemt. Een liefde die door Gods Geest in het hart wordt uitgestort. De geest van de mens ervaart dit als thuiskomen. Of, anders gezegd, als tot het ultieme doel komen; de geest bereikt zijn eindbestemming.

Als de geest van de mens de eindbestemming bereikt, is hij volledig op één lijn met de Geest van God. Het gevolg is dan dat de wil volledig tot rust is gekomen. De geest bevindt zich in volledige vrijheid, dus de wil hoeft niet meer in actie te komen. Of in slechts één ding: die vrijheid in relatie met de Geest van God te onderhouden. Dat is ware vrijheid, dat de mens vrijwillig met geheel zijn hart, met heel zijn hart en met al zijn kracht, God de Vader voortdurend liefheeft. De Bijbel zegt, dat de geest wel gewillig is, maar dat het vlees zwak is. Maar als de geest de vrijheid in God beleeft en de mens zijn wil volledig richt op het verblijven in de vrijheid van Gods liefde, zal de zwakheid van het vlees worden overwonnen. Dit alles, de leerschool waar ik het zojuist over had, vindt plaats zolang de gelovige in het vlees is, dus tijdens zijn natuurlijke bestaan. 

Op de vraag: „Bestaat de vrije wil in de hemel?“ kan ik dus antwoorden: „Jazeker“. Immers de hemel ontstaat wanneer de geest van de mens in volledige harmonie is met de Geest van God. Een harmonie in volmaakte liefde. Tijdens het leven in het Koninkrijk van God, dat is leven onder leiding van Gods Geest, wordt de liefde tussen God en de gelovige volmaakt en bereikt de geest van de mens zijn eindbestemming. Er valt dan dus niets meer te willen dan die liefde te onderhouden; de geest van de mens bevindt zich in volmaakte vrijheid. En omdat de geest vrij is, is de wil dat dus ook. In de hemel is de wil dus waarlijk vrij. Het punt is echter, dat voor de ware gelovige, de hemel al op aarde kan beginnen. 

Over de tekst in de quote

Jezus zegt hier: „U beseft niet wat voor geest u hebt“. Jezus doelt op het feit dat er vele geesten in de wereld zijn. Ik denk dat we hier niet moeten denken aan concrete geesten, maar aan denksystemen. Precies die systemen die ik uit de „Encyclopedie van de Filosofie” citeerde. We zouden deze kunnen samenvatten in de term ‘wereldgeesten’, dus in de wijzen van denken, die in de wereld gangbaar zijn.

NB: De uitspraak van Jezus is waarschijnlijk later door een schrijver als verduidelijking ingevoegd; hij komt alleen voor bij enkele vertalingen van het evangelie van Lucas. Degene, die het heeft ingevoegd, getuigt mijn inziens, echter wel van geestelijk inzicht.