In Romeinen 8:20-21, de uitgangstekst van de overdenking „Vergankelijkheid“ wordt enerzijds gesproken over de ‘vergankelijk’ waar Adam de hele schepping aan heeft onderworpen. In vers 21 wordt echter gezegd: „in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf…“. Het gaat hier echter om verschillende zaken, die niet hetzelfde -, maar wel onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. De schepping is geen slaaf van de vergankelijkheid, alsof de vergankelijkheid macht uitoefent. Vergankelijkheid is een status. Een leegte, of zonder inhoud; er zit geen leven in. In het twee gedeelte wordt echter niet gesproken over vergankelijkheid, maar over verderf. Verderf is een actief proces van verrotting. In sommige Engelse vertalingen wordt in plaats van ‘dienstbaarheid aan het verderf’ vertaalt: ‘the bondage of corruption’ (gebonden aan de corruptie). Omdat de schepping vergankelijk is, is ze ook niet in staat zich aan het verderf te onttrekken; ze zit er aan vast. Er is geen levenskracht meer in de schepping aanwezig, die de schepping in staat stelt het proces van verderf of corruptie tot staan te brengen, laat staan te herstellen. Dit is wat we in het vorige artikel de passieve zonde noemen. Deze zonde heeft heel de schepping in de greep.

Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben;

Romeinen 5:12 (NBG1951)

Zonde is verderf

 De vergankelijkheid of zinloosheid van de schepping, waarvan de mens deel van uitmaakt, is een status of situatie, die is ontstaan omdat de mens niet meer in staat is de zegen van God de schepper aan de schepper door te geven. In plaats daarvan heeft de mens zich afhankelijk gemaakt van wijsheid die hij zelf opdoet. Wijsheid groeit door ervaring. Het is een collectieve ervaring, want ze groeit naarmate de mensheid in aantal toeneemt. Daarom ziet de mens de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad als ‘aantrekkelijk om van te eten en daardoor wijs te worden’. De mens zoekt wijsheid, omdat hij die tekort komt. In de Schrift betekent zonde: „het missen van een doel“. Zonder wijsheid mist de mens het doel en om die reden is de mens zondig. Maar deze ‘zondigheid’ is niet het werkelijke probleem.

Het werkelijke probleem is het wezen dat zich IN de boom van kennis bevindt en het onderscheid en dus de groeiende wijsheid van de mens corrumpeert. Dat wezen is geen onderdeel van de boom, maar heeft zich er in genesteld. Het is dus als zodanig altijd aanwezig. Het eten van de boom van kennis van goed en kwaad maakt de mens in wezen niet zondig, maar door te luisteren naar de stem van de verleider in de boom wordt de mens wel tot een slaaf van de zonde. Dat aspect kunnen we actieve zonde noemen, terwijl we de vergankelijkheid als passieve zonde kunnen zien.

Zonde wordt zichtbaar in daden

Het onderscheid tussen goed en kwaad wordt zichtbaar in wat de mens doet. Als het gaat om zonde wordt in het oude testament dan ook de nadruk gelegd op het handelen van de mens, . Wat de mens in z’n gedachten doet, is voor het oude testament niet relevant, zolang hij die gedachten geen handen en voeten geeft. Overigens is dat ook waar de wet zich op richt. De wet rekent je niet af op je zondige gedachten, maar op je zondige daden.

Opmerkelijk is dat er pas voor het eerst sprake is van zonde in het verhaal van Kaïn en Abel. Als Kaïn boos is, omdat het offer van Abel wel door God wordt geaccepteerd, maar dat van hem niet, zegt God tegen Kaïn: „Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen“ Genesis 4:6-7 (NBG1951). Kaïn is toornig (boos) en dat kun je aan hem zien. Maar dat is op zich nog geen probleem. Het offer van Kaïn was niet goed. Dat wist hij, omdat het niet door God werd geaccepteerd. Bij het voorbereiden van het offer had Kaïn gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad; het is immers de vraag waar de wens om God een offer te brengen vandaan kwam? God had hem die opdracht niet gegeven; het kwam op in z’n eigen hart. Zowel Abel als Kaïn kregen het verlangen om een offer aan God te brengen. Bij Kaïn was dat verlangen echter gecorrumpeerd en daarom werd z’n offer niet aanvaard. Kaïn was dus de eerste mens die te maken kreeg met de actieve macht van de zonde. Hij had blijkbaar in onwijsheid gehandeld. En dat maakt hem toornig. Hij was in feite gezakt voor z’n test.

Wanneer zondige Kaïn?

Maar dat Kaïn zakte voor z’n eerste test, betekende niet vanzelf dat hij ook zondigde! God zegt immers: „indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen“. Kaïn had nog niet gezondigd, maar stond nu wel op het punt dat te doen. Dat betekent in feite, dat er van een erfzonde (de zonde van Adam die heel de mensheid doortrekt) geen sprake kan zijn. De zonde was voor Kaïn nog een macht die zich buiten hem bevond. Het eten van de boom van kennis had hier in feite geen invloed op. Het enige dat Kaïn op dat moment liet zien, was dat hij niet goed (niet wijs) had gehandeld. Maar nu had hij nog alle gelegenheid om zijn offer aan te passen en dus te leren van z’n fouten. 

Het bestaan van Kaïn bevindt zich dus op een tweesprong: De zonde ligt als een belager voor de deur en zoekt de heerschappij. Het is God zelf, die Kaïn inzicht verschaft in het karakter van de verleider, die uit is op het in slavernij brengen van de mensheid. Het is dus ook niet in Gods belang dat hij zondigt. Indien Kaïn toegeeft en de zonde toegang geeft tot zijn hart, is dat definitief. Zodra een mens éénmaal toegeeft aan de zonde, is er geen weg meer terug en zal de zonde het voor het zeggen krijgen en komt het verderf zijn denken binnen; de mens wordt een slaaf. Kaïn was reeds onderworpen aan de vergankelijkheid en als zodanig dus zondig (hij miste hoe dan ook zijn doel), maar hij was desondanks nog wel in staat om ‘goed’ te handelen.

Er is echter nog een ander punt met betrekking tot de macht der zonde dat ik niet onbesproken kan laten: Zondigen is relationeel. De mens leeft altijd in gemeenschap met andere mensen. Daarnaast heeft de mens een verantwoording ten opzichte van de schepping; dat principe is sinds de overtreding van Adam niet veranderd. Sterker nog, die verantwoording was juist voor Eva de reden om wijsheid te zoeken, door te eten van de boom van kennis. Wijsheid in het onderscheiden tussen goed en kwaad zou de mens behulpzaam kunnen zijn om voor mens en schepping te kunnen zorgen. Het ondersteunen van elkaar (zodat men ‘samen’ kan optrekken in de zorg voor de schepping) kan in één zin worden verwoord: „het liefhebben van de naaste als jezelf“. Het gaat immers nooit om het individu, maar om het collectief. De zonde verbreekt de relatie die de mens van nature met de naaste heeft en zorgt er voor dat de mens egocentrisch wordt.

Zonde beschadigt de relatie met de naaste

Dat isolatieproces zien we bij Kaïn al in beweging. In plaats dat hij zich onderwerpt aan de gemeenschap (die samen en gelijkwaardig optrekt) en zijn broer z’n plaats gunt, verheft hij zich boven die ander. De verleider praat hem een gevoel van minderwaardigheid aan; dat gevoel ervaart Kaïn als aanklacht. Op dat moment komt de zonde in actie en vervult zijn hele wezen. Het gevolg is dat hij zijn broer doodslaat. Kaïn is op dat moment de eerste mens, die zich niet meer kan losmaken van de zonde; hij ontvangt het teken van Kaïn en  wordt metterdaad verbannen naar een land ver weg van het aangezicht van God: het loon dat de zonde per direct uitbetaalde was de dood. De meester betaalde zijn pas verworven slaaf voor bewezen diensten. Zonde en zondigen heeft dus direct te maken met het handelen ten opzichte van de naaste. Daarom schrijft Jacobus: „Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid bewezen heeft; barmhartigheid (echter) roemt tegen het oordeel“ Jacobus 2:13 (NBG1951).

Resumerend kan ik dus zeggen, dat Adam er voor zorgde, dat mens en schepping aan de vergankelijkheid (passieve zonde) werden onderworpen; ze konden niet meer tot hun doel komen. Dit deed hij omdat de mens ervoor koos in eigen wijsheid zijn taak op te nemen. Adam bracht de actieve zonde niet in de wereld, maar zette er wel de deur voor open; ieder mens na hem komt in de vicieuze cirkel terecht van wijsheid vermengt met verleiding. De mens is daardoor in z’n denken (geest - visie - en verstand) gaandeweg in slavernij van de zonde geraakt. De contradictie is, dat de vergankelijke mens vrij wil zijn, maar juist daardoor in de vicieuze cirkel van verderf terecht is gekomen. 

De mens is geschapen om met elkaar samen te leven en voor de schepping te zorgen (sturing en leiding te geven). Dat lukt niet zonder de liefde. Liefde die maar op één plek te vinden is en dat is in het hart van God. De mens kan niet zonder wijsheid, die door de liefde uit God wordt gevoed. In plaats daarvan heeft hij zichzelf afhankelijk gemaakt van het eten van de boom van kennis. Daarom is de mens aan de vergankelijkheid onder worpen; hij kan in zijn huidige toestand niet de eeuwigheid in. De verleider, die onlosmakelijk aan de boom verbonden is, verduistert de mens in z’n denken, waardoor de wijsheid die hij opdoet steeds meer gecorrumpeerd wordt. Daardoor sterft de mens ook in morele zin en wordt hij steeds meer egocentrisch en raakt de liefde tot zijn ‘broeder’ in de knel; gaandeweg verkilt de liefde tot de naaste; de duisternis neemt toe in de wereld van de mens.

God heeft de mens en de schepping echter niet aan hun lot over gelaten, maar in zijn onmetelijke wijsheid en vanuit zijn grenzeloze genade voorzien in een nieuwe Adam naar Zijn hart, die de mens de kerker van de zonde kan uitleiden, zodat daarna de vergankelijkheid kan worden opgeheven. Over Hem zal het in het volgende artikel gaan.